Een kijkje in de praktijk; de start van een thema

De kinderen van groep 3 komen na de herfstvakantie weer op school. In de kring staat een grote kist met een slot eraan. Wat zou daar in zitten?

De sleutel wordt gevonden en de kist wordt geopend. De spullen uit de kist worden bekeken en besproken. De kinderen hebben al veel te vertellen bij het thema ‘ridders en kastelen’. Al snel gaan ze aan het werk:

  • Opschrijven wat er in de kist zit
  • Spullen sorteren
  • Boeken bekijken en lezen
  • Eigen verhalen opschrijven
  • Het kasteel in de klas verder afmaken
  • Spelen in het kasteel

Deze diashow vereist JavaScript.

De wereld in, op onderzoek uit

Vanuit deze startactiviteiten worden kinderen nieuwsgierig naar de wereld om zich heen. Er worden veel vragen gesteld. In de tweede week van het thema bezoeken de kinderen het Muiderslot. Dit bezoek levert veel nieuwe informatie op en antwoorden op sommige vragen. Ook ontstaan er weer nieuwe vragen. Inmiddels zijn alle kinderen betrokken bij het thema. Om het kasteelspel zo echt mogelijk te kunnen spelen, willen ze alles weten. Boeken zijn een rijke bron, dus natuurlijk willen de kinderen veel lezen. Ook is het belangrijk om te onthouden wat we al weten, dus schrijven hoort er ook bij. De leerkracht doet voor en doet mee en zorgt ervoor dat ieder kind steeds een stapje verder komt.

Thematisch en vakoverstijgend werken

Binnen het OGO is ‘betrokkenheid’ een belangrijk begrip. Kinderen leren veel als zij geïnteresseerd zijn en weten waarvoor zij leren. Hierboven heeft u kunnen lezen hoe de leerkracht zorgt dat de kinderen nieuwsgierig worden en betrokken raken. Wij werken daartoe met betekenisvolle thema’s, die 6-8 weken duren. Binnen het thema krijgen de doelen van verschillende vakgebieden (taal, wereldoriëntatie) een plek. De thema’s worden zo gekozen dat ze betekenisvol zijn of kunnen worden voor de kinderen én dat er veel te leren valt. Op deze manier realiseren wij ook de kerndoelen.

In de onderbouw zijn de thema’s vaak nog ‘dicht bij huis’. Voorbeelden van thema’s die betekenisvol zijn voor jonge kinderen zijn ‘de bakker’, ‘de dokter’, ‘met de tram’ en ‘kleine beestjes’. Naarmate de kinderen ouder worden, verbreden en verdiepen de thema’s zich. Voorbeelden van thema’s in de midden- en bovenbouw zijn: ‘Wie is de baas?’, ‘Het beste duurzame idee van de Zuiderzee.’, ‘Oorlog en vrede’ of ‘De Puberteit’.

Spelend en onderzoekend leren binnen betekenisvolle contexten

Binnen het thema wordt gewerkt binnen een betekenisvolle context. In de onderbouw zijn dit de spelhoeken waarin de kinderen de wereld naspelen; het huis, de bakkerij, de dierenwinkel, de apotheek, het kasteel, de camping etc.

In de bovenbouw krijgt de praktijk samen met de kinderen vorm. De praktijk wordt daar vaak geopend aan het eind van het thema, samen met ouders. Voorbeelden van praktijken in de bovenbouw zijn een museum, een bedrijf, een actie en een voorstelling.

Deze manier van werken zorgt voor grote betrokkenheid bij de kinderen. Ze ervaren aan den lijve dat wat zij leren nuttig is voor ‘het echte leven’. Binnen deze contexten kunnen alle kinderen meedoen en is ruimte voor verschillen in interesses en kwaliteiten. De kinderen merken welke kennis en vaardigheden zij nodig hebben. Hierdoor profiteren zij optimaal van het onderwijsaanbod van de leerkracht.

Onderwijs in ontwikkeling

Het OGO concept is een concept dat zich ontwikkelt vanuit de praktijk in samenwerking met wetenschappelijk onderzoek en op basis van wetenschappelijke inzichten. Ons onderwijs is daarmee steeds in ontwikkeling. Het team van de Zuiderzee is professioneel en deskundig en schoolt zich voortdurend bij.

In de periode 2018-2022 ligt het accent in deze ontwikkeling op:

  • Het verder uitbouwen van de mogelijkheden van de culturele praktijken met name in de bovenbouw
  • Het uitbreiden van het onderzoekend leren; naast bronnenonderzoek ook experimenteel onderzoek en de inzet van nieuwe technologieën

 

Hieronder nog een aantal praktijkvoorbeelden:

Max en de Maximonsters – veel leren in het theater in groep 1-2

DSC00247 DSC00245 DSC00231 DSC00233 DSC00232

In groep 1-2 verschijnt een theater. In het theater zal ‘Max en de Maximonsters’ opgevoerd worden.DSC00225

In de oriëntatiefase worden kinderen enthousiast gemaakt voor het verhaal en voor het uitspelen daarvan als theaterstuk. Als vanzelf ontstaan nu vervolgactiviteiten:

 

Spel:      Het verhaal van Max wordt uitgespeeld, zowel in het theater als in de verteltafel en in de bouwhoek. Daarbij komt nog het spel van het theater. Kinderen krijgen grip op verschillende rollen, zoals die van acteur en van bezoeker. De volgorde van de handelingen worden ondersteund door foto’s en een rollenbord. Hierbij leren de kinderen allerlei nieuwe woorden, oefenen zij hun spreekvaardigheid, doen ze kennis op van de wereld en oefenen zij hun ‘narrativiteit’ (begrip van de volgorde van gebeurtenissen). In de kleedkamer kunnen zij zich verkleden en schmincken. Niet alleen nodig voor het spel, maar ook heel goed om de fijne en grote motoriek te oefenen!

Onderzoek:       Hoe gaat het in een theater? Wat doe je als acteur? Wat doe je als publiek? Welke mensen zijn er nog meer in een theater? Wat doen zij? Hoe krijg je de schminck precies goed? Waarom is een monster eigenlijk een monster? Is een draak ook een monster? Hoe heten al die onderdelen van een monster eigenlijk? Allemaal vragen waarop een antwoord nodig is. Door zelf een theater te bezoeken, mensen te interviewen, filmpjes en boeken te bekijken en zelf uit te proberen komen er antwoorden op de vragen.

DSC00230

Gesprek:             Aan al deze activiteiten zijn gesprekken verbonden. De leerkracht geeft kinderen ruimte om te spreken en gedachten onder woorden te brengen en vragen te stellen. Door te ‘revoicen’, aan te vullen en door te vragen versterkt en verdiept zij de spreekvaardigheid van de kinderen en geeft zij gelegenheid tot het leren van nieuwe woorden en begrippen.

Lezen en schrijven: Uiteraard lezen de kinderen het boek van Max. Zij leren daarbij nieuwe woorden en ook begrippen die bij lezen en boeken horen (het woord, de zin, de kaft, uitlezen) en zien hoe lezen gaat (van voor naar achter, van links naar rechts). Er komen ook andere boeken over monsters en over theater de klas in. Eigen teksten worden geschreven en teruggelezen. De woorden en letters die ze daarbij nodig hebben hangen zichtbaar in de klas (ondersteund door een afbeelding) en het schrijven wordt ondersteund met woord- en letterkaarten en kant en klaar lettermateriaal. Bij dit alles leren de kinderen nieuwe letters (de m van max en monster, de t van theater), moeten zij analyseren en synthetiseren enz. enz.

Rekenen en wiskunde: Om het theater te bezoeken moet je uiteraard een kaartje kopen. De kinderen oefenen het tellen en betalen. Op het kaartje staat een stoelnummer. Stoel nummer 8 staat vast tussen 7 en 9 in. Of is er een even en een oneven rij?

DSC00227

Constructie:       Het theater moet opgebouwd worden, er moet een toneel en een decor komen, plek om te zitten, attributen. Ook het spel in de bouwhoek en in de verteltafel vraagt om attributen; de boot van Max, Max zelf en veel monsters. De kinderen oefenen zo hun ruimtelijke oriëntatie, hun verbeeldingskracht en fantasie, ze krijgen grip op begrippen als voor en achter, groter en kleiner en leren allerlei vaardigheden en technieken aan.

De afsluiting:

Uiteraard wordt het thema op passende wijze afgesloten met een optreden voor alle ouders.

 

Ontdekkingsreizen – veel leren van het maken van een documentaire in groep 6

In de bovenbouw werken de kinderen rondom het thema ‘ontdekkingsreizen’. Het plan is om een documentaire te maken over de verschillende ontdekkingsreizen in de tijd van de V.O.C.

Onderzoek Vanuit verschillende startactiviteiten, zoals het bekijken, ruiken en proeven van specerijen, luisteren naar een voorleesverhaal uit de tijd van de V.O.C. en het bekijken van een film ontstaan vragen. Deze vragen krijgen een plaats op de vragenwand en er worden voorlopige antwoorden geformuleerd. In groepjes doen de kinderen onderzoek naar de verschillende reizen en krijgen zo antwoord op hun vragen. Als ze voldoende weten over de geschiedenis van de ontdekkingsreizen, bespreken ze met elkaar hoe ze dit goed in beeld kunnen brengen voor het beoogde publiek.

125

Lezen en schrijven Vanuit deze realistische context begrijpen kinderen het belang van het schrijven van een goede tekst en het goed begrijpen en samenvatten van informatie. Zij leren en oefenen verschillende lees- en schrijfstrategieën en breiden hun woordenschat uit. Ook leren zij de betrouwbaarheid van bronnen te beoordelen en maken zij zich allerlei ICT vaardigheden eigen. Op deze manier ontwikkelen kinderen zich in brede zin en doen zij specifieke kennis en vaardigheden op.

Gesprek De verschillende groepjes doen regelmatig verslag aan elkaar van hun werkzaamheden. Zo oefenen zij taalvaardigheden als presenteren, uitleggen, samenvatten en vragen stellen.

Rekenen en wiskunde Rekenvaardigheden die de kinderen zijn aangeleerd met behulp van de rekenmethode, kunnen zij oefenen in de realistische context van dit thema. Lengtematen en verhoudingen worden toegepast bij het namaken van de schepen op schaal en bij het tekenen van kaarten.

Constructie Om de documentaires zo echt mogelijk te kunnen maken, zijn er allerlei zaken nodig, zoals modellen van schepen, kaarten en tekeningen. Deze worden door de kinderen geconstrueerd, waarbij zij zoveel mogelijk toepassen wat zij hebben geleerd over de historische context.

DSC00325

DSC00323