header

Nieuwsarchief


facebookTwitter

OGO in de praktijk

OGO op de ZuiderzeeDSC00321

Werken volgens het OGO concept vraagt een hoge mate van vakmanschap van de leerkracht. Het OGO concept is steeds in ontwikkeling. Op de Zuiderzee wordt voortdurende gewerkt aan verbetering en verdere invoer van het OGO. Daarbij staat kwaliteit van onderwijs altijd voorop. Kenmerken van het OGO op de Zuiderzee:

  • In alle groepen wordt thematisch gewerkt. De thema’s duren 6-8 weken. De verschillende vakgebieden komen in samenhang aan de orde binnen het thema.
  • We halen de ‘echte’ wereld de school binnen (en gaan de wereld in).
  • Spel- en/of onderzoeksactiviteiten binnen een betekenisvolle sociaal-culturele context (de ‘echte’ wereld) staan centraal. De andere kernactiviteiten (gespreksactiviteiten, lees- en schrijfactiviteiten, reken-wiskunde activiteiten, constructieve activiteiten) zijn daarmee verbonden.
  • Kinderen zijn actief en betrokken bezig en leren van en met elkaar.
  • De leerkracht doet mee en helpt zo ieder kind een stap verder te komen (zone van naaste ontwikkeling creëren).
  • De leerkracht werkt planmatig, handelingsgericht en doelgericht.
  • Door samen te reflecteren komen kinderen een stap verder en worden zij eigenaar van hun eigen ontwikkelingsproces.
  • De brede ontwikkeling, taalontwikkeling, de zaakvakken en creatieve vakken hebben een plek in het thematische onderwijs. Daarnaast gebruiken we ook methodes, namelijk:
    • Rekenen: Wereld in getallen, Kien en Rekentijgers
    • Technisch lezen: Veilig leren lezen, DMT-oefenmap
    • Begrijpend lezen: Nieuwsbegrip
    • Studie vaardigheden: Blits
    • Engels: Take it easy
    • Spelling: Taal Actief
    • Handschrift: Zwart op wit

Ontwikkelingsgericht onderwijs in de praktijk

DSC00247 DSC00245 DSC00231 DSC00233 DSC00232
Een voorbeeld uit de onderbouw

In groep 1-2 verschijnt een theater. In het theater zal ‘Max en de Maximonsters’ opgevoerd worden.DSC00225

In de oriëntatiefase worden kinderen enthousiast gemaakt voor het verhaal en voor het uitspelen daarvan als theaterstuk. Als vanzelf ontstaan nu vervolgactiviteiten:

 

Spel:      Het verhaal van Max wordt uitgespeeld, zowel in het theater als in de verteltafel en in de bouwhoek. Daarbij komt nog het spel van het theater. Kinderen krijgen grip op verschillende rollen, zoals die van acteur en van bezoeker. De volgorde van de handelingen worden ondersteund door foto’s en een rollenbord. Hierbij leren de kinderen allerlei nieuwe woorden, oefenen zij hun spreekvaardigheid, doen ze kennis op van de wereld en oefenen zij hun ‘narrativiteit’ (begrip van de volgorde van gebeurtenissen). In de kleedkamer kunnen zij zich verkleden en schmincken. Niet alleen nodig voor het spel, maar ook heel goed om de fijne en grote motoriek te oefenen!

Onderzoek:       Hoe gaat het in een theater? Wat doe je als acteur? Wat doe je als publiek? Welke mensen zijn er nog meer in een theater? Wat doen zij? Hoe krijg je de schminck precies goed? Waarom is een monster eigenlijk een monster? Is een draak ook een monster? Hoe heten al die onderdelen van een monster eigenlijk? Allemaal vragen waarop een antwoord nodig is. Door zelf een theater te bezoeken, mensen te interviewen, filmpjes en boeken te bekijken en zelf uit te proberen komen er antwoorden op de vragen.

DSC00230

Gesprek:             Aan al deze activiteiten zijn gesprekken verbonden. De leerkracht geeft kinderen ruimte om te spreken en gedachten onder woorden te brengen en vragen te stellen. Door te ‘revoicen’, aan te vullen en door te vragen versterkt en verdiept zij de spreekvaardigheid van de kinderen en geeft zij gelegenheid tot het leren van nieuwe woorden en begrippen.

Lezen en schrijven: Uiteraard lezen de kinderen het boek van Max. Zij leren daarbij nieuwe woorden en ook begrippen die bij lezen en boeken horen (het woord, de zin, de kaft, uitlezen) en zien hoe lezen gaat (van voor naar achter, van links naar rechts). Er komen ook andere boeken over monsters en over theater de klas in. Eigen teksten worden geschreven en teruggelezen. De woorden en letters die ze daarbij nodig hebben hangen zichtbaar in de klas (ondersteund door een afbeelding) en het schrijven wordt ondersteund met woord- en letterkaarten en kant en klaar lettermateriaal. Bij dit alles leren de kinderen nieuwe letters (de m van max en monster, de t van theater), moeten zij analyseren en synthetiseren enz. enz.

Rekenen en wiskunde: Om het theater te bezoeken moet je uiteraard een kaartje kopen. De kinderen oefenen het tellen en betalen. Op het kaartje staat een stoelnummer. Stoel nummer 8 staat vast tussen 7 en 9 in. Of is er een even en een oneven rij?

DSC00227

Constructie:       Het theater moet opgebouwd worden, er moet een toneel en een decor komen, plek om te zitten, attributen. Ook het spel in de bouwhoek en in de verteltafel vraagt om attributen; de boot van Max, Max zelf en veel monsters. De kinderen oefenen zo hun ruimtelijke oriëntatie, hun verbeeldingskracht en fantasie, ze krijgen grip op begrippen als voor en achter, groter en kleiner en leren allerlei vaardigheden en technieken aan.

De afsluiting:

Uiteraard wordt het thema op passende wijze afgesloten met een optreden voor alle ouders.

 

Een voorbeeld uit de bovenbouw

In de bovenbouw werken de kinderen rondom het thema ‘ontdekkingsreizen’. Het plan is om een documentaire te maken over de verschillende ontdekkingsreizen in de tijd van de V.O.C.

Onderzoek Vanuit verschillende startactiviteiten, zoals het bekijken, ruiken en proeven van specerijen, luisteren naar een voorleesverhaal uit de tijd van de V.O.C. en het bekijken van een film ontstaan vragen. Deze vragen krijgen een plaats op de vragenwand en er worden voorlopige antwoorden geformuleerd. In groepjes doen de kinderen onderzoek naar de verschillende reizen en krijgen zo antwoord op hun vragen. Als ze voldoende weten over de geschiedenis van de ontdekkingsreizen, bespreken ze met elkaar hoe ze dit goed in beeld kunnen brengen voor het beoogde publiek.

125

Lezen en schrijven Vanuit deze realistische context begrijpen kinderen het belang van het schrijven van een goede tekst en het goed begrijpen en samenvatten van informatie. Zij leren en oefenen verschillende lees- en schrijfstrategieën en breiden hun woordenschat uit. Ook leren zij de betrouwbaarheid van bronnen te beoordelen en maken zij zich allerlei ICT vaardigheden eigen. Op deze manier ontwikkelen kinderen zich in brede zin en doen zij specifieke kennis en vaardigheden op.

Gesprek De verschillende groepjes doen regelmatig verslag aan elkaar van hun werkzaamheden. Zo oefenen zij taalvaardigheden als presenteren, uitleggen, samenvatten en vragen stellen.

Rekenen en wiskunde Rekenvaardigheden die de kinderen zijn aangeleerd met behulp van de rekenmethode, kunnen zij oefenen in de realistische context van dit thema. Lengtematen en verhoudingen worden toegepast bij het namaken van de schepen op schaal en bij het tekenen van kaarten.

Constructie Om de documentaires zo echt mogelijk te kunnen maken, zijn er allerlei zaken nodig, zoals modellen van schepen, kaarten en tekeningen. Deze worden door de kinderen geconstrueerd, waarbij zij zoveel mogelijk toepassen wat zij hebben geleerd over de historische context.

DSC00325

DSC00323

 

 

 

 

 

 

 

Keuze van thema’s

De thema’s in de onderbouw staan dicht bij de belevingswereld van de kinderen. In de bovenbouw worden de thema’s zo gekozen dat alle kerndoelen voor wereldoriëntatie aan bod komen. De thema’s starten met een aantal startactiviteiten. Het thema heeft een duidelijk eind, vaak in de vorm van een presentatie voor ouders.

 

Naar ‘Pedagogisch Klimaat’